Anton.

maart 2019

Sneeuwtekort in de lente?

Na de voorjaarsvakantie gaat het hoofd van de meeste wintersporters op zomerstand. De lente komt eraan en slechts een minderheid kiest er nog voor om op wintersport te gaan. Dan denk je aan mooi weer, een zonnetje en geleidelijk steeds minder sneeuw. Inderdaad, het is in het voorjaar vaak warmer en de dalen zijn niet altijd meer wit. Maar wat veel mensen niet weten, is dat in het voorjaar de grootste sneeuwhoogtes van het jaar worden gemeten. Iets hogerop is het zelfs de meest sneeuwzekere periode van het jaar! Hoe zit dat precies? 

Verloop van een gemiddeld seizoen
Om te kunnen begrijpen hoe dat zit, is het goed om te weten hoe een gemiddeld sneeuwseizoen verloopt. In de bergen boven de 2.000 meter kan sneeuw ongeveer vanaf oktober blijven liggen. Het sneeuwt natuurlijk wel eens eerder – boven 1.500 meter kan het zelfs in de zomer sneeuwen – maar door de instraling van de zon en de hogere temperaturen zal die niet blijven liggen. Dat kan pas in de loop van de herfst als de dagen korter worden, de zon lager staat en hij niet meer zo krachtig is.

Begin van het seizoen is de sneeuwhoeveelheid vaak mager

Hoe hoger je gaat, hoe eerder de sneeuw blijft liggen. Waar het ‘einschneien’ in de bergen in oktober al kan beginnen, blijft de sneeuw beneden de 1.000 meter pas op zijn vroegst eind november/begin december liggen. Wanneer dit precies gebeurt hangt echter sterk af van het weersverloop. We hebben de afgelopen jaren regelmatig tot in december hoge temperaturen gehad waardoor er met kerst nog geen sneeuw lag.

Maximale sneeuwdikte
Laten we echter uitgaan van het hierboven geschetste verloop van een gemiddelde winter. Dat betekent dus dat het hooggebergte met een voorsprong begint en dat de sneeuwhoeveelheid vanaf december overal geleidelijk toeneemt. In februari bereiken de dalen normaal gesproken hun maximale sneeuwhoogte. Rondom de populaire voorjaarsvakanties dus. Daarna wordt de invloed van de zon langzaam maar zeker sterker en begint de sneeuw weer te smelten. Natuurlijk kan er ook na februari nog veel sneeuw vallen in de dalen en liggen er soms nog steeds dikke pakken sneeuw in de dorpen, maar de oplopende temperaturen tussendoor beginnen steeds meer te knagen aan het sneeuwdek. In combinatie met de sterkere voorjaarszon en een langzaam hogere ::sneeuwgrens:: (regen) betekent dit dat de gemiddelde sneeuwhoeveelheid in de dalen afneemt.

Door een soms hogere sneeuwgrens wordt het verschil in sneeuw tussen berg en dal steeds groter

Grootste sneeuwhoogtes ooit gemeten:

Duitsland:
Zugspitze (2.962 m): 7,80 m op 26 april 1980,

Oostenrijk: 
Sonnblick (3.106 m): 11,90 m op 9 mei 1944,

Zwitserland:
Säntis (2.502 m): 8,16 m op 21 en 23 april 1999

Grotere buffer
Maar hoe anders is het op wat grotere hoogte. Op 1.500 meter wordt de maximale sneeuwhoogte gemiddeld pas rond 1 maart bereikt. Op 2.000 meter is dat eind maart en op bijvoorbeeld de Duitse Zugspitze, die bijna 3.000 meter hoog is, wordt meestal pas in april de meeste sneeuw gemeten. Dan zijn of gaan de meeste skigebieden alweer dicht. Voor dat late tijdstip zijn meerdere redenen. Niet alleen blijft het op hoogte langer koud waardoor de sneeuw beter blijft liggen, het sneeuwt er ook meer en harder dan in de lagere dalen waardoor de buffer groter is. Én er valt minder regen. Dat is zeker in het voorjaar gunstig, omdat de ::sneeuwgrens:: langzaam omhoog kruipt. Als het in de lagere dalen steeds vaker gaat regenen (en het sneeuwdek smelt) valt er op hoogte juist nog een laag sneeuw bij. Daardoor wordt het verschil tussen de lage en hoge pistes steeds groter. De officiële sneeuwstatistieken van de Oostenrijkse weer- en de hydrografische diensten laten dit mooi zien. We nemen enkele grafieken van plaatsen op verschillende hoogtes met het verloop van het sneeuwdek in een gemiddelde winter.

A. Beneden 800 meter: begin februari
In de laagste dorpen wordt de maximale sneeuwhoogte het vroegst bereikt. In Lienz in Osttirol op 659 meter vind je de meeste sneeuw gemiddeld genomen al in februari.

B. 800-1.300 meter: midden/eind februari
Ga je iets hoger, dan verschuift de sneeuwpiek naar achteren. In Sankt Anton am Arlberg op ruim 1.300 meter is het sneeuwdek een paar weken later het dikst, gemiddeld zo rond eind februari.

C. 1.300-2.000 meter: maart
Gaan we nog hoger dan verschuift het maximum naar maart. In Kühtai op 1.918 meter wordt de grootste sneeuwhoogte pas eind maart gemeten. Normaal gesproken is deze sneeuw niet eerder dan in juni verdwenen.

D. Boven 2.000 meter: april
Gaan we naar het hooggebergte dan zitten we al in april. Bij de Dresdner Hütte (2.290 meter) in het skigebied van de Stubaier Gletscher ligt pas in april de meeste sneeuw.

Paradox 
Er doet zich dus een apart fenomeen voor. We staan in december te trappelen om de piste op te gaan, terwijl de sneeuwcondities rond die tijd gemiddeld genomen het minst zijn. En we laten de skigebieden massaal links liggen als de wat hogere skigebieden de meeste sneeuw hebben van de hele winter. Natuurlijk is deze paradox wel te verklaren. Rond maart/april is de gemiddelde Nederlander niet meer met sneeuw bezig. Zon en zee lonken en de terrasjes lopen bij de eerste warme zonnestralen vol. Hetzelfde geldt misschien wel voor de skigebieden. Een lang seizoen loopt ten einde, het geld is verdiend en de hoteliers kijken uit naar het volgende belangrijke seizoen: de zomer. 

Wat ook niet helpt is dat we in Nederland de Paasvakantie zijn kwijtgeraakt. Dit was enkele decennia geleden de ideale gelegenheid om nog op wintersport te gaan. Nu we meestal nog alleen vrij hebben van Goede Vrijdag tot en met Tweede Paasdag loont het nauwelijks de moeite meer om met het gezin naar de Alpen te gaan.

Aan de sneeuw ligt het niet
Ondanks dat spreken de sneeuwstatistieken voor zich. Soms dwingen de temperaturen je gerichte keuzes te maken om papsneeuw te vermijden, maar voor de hoeveelheden hoef je het niet te laten. Dat biedt natuurlijk perspectief (mits je in de gelegenheid bent). Niet alleen zijn de prijzen in het naseizoen lager (check dit blog met aanbiedingen die we tegenkwamen), het is ook rustiger op de piste. En ‘s middags is het bij de berghutten goed toeven op het terras, waar hetzelfde biertje in hetzelfde zonnetje waarschijnlijk veel lekkerder smaakt dan thuis in Nederland.

Bronnen: ZAMG en Land Tirol.